smartengeld?
Het bepalen van smartengeld is geen
eenvoudige zaak. Er spelen verschillende persoonlijke, cultureel
gebonden en omgeving factoren mee die de hoogte bepalen. Ook zal
uit de medisch informatie de aard en de ernst van de
verwondingen moeten blijken.
Smartengeld bij
overlijden en letsel naaste?
Vooralsnog bestaat er voor de nabestaanden geen recht op
smartengeld voor hun verdriet omdat ze een naaste hebben
verloren. Gedoeld wordt hier in juridische zin op de zogenaamde
affectieschade (verdriet om het verlies of de kwetsing van een
dierbare).Omdat
de grens tussen psychisch letsel en affectieschade veelal
flinterdun is, komt het regelmatig voor dat de afwijzing van
affectieschade als onjuist wordt ervaren.
Zo kan de situatie zich voordoen dat een toeschouwer van een
dodelijk ongeluk die door het zien daarvan een psychiatrisch
ziektebeeld heeft opgelopen recht op smartengeld toekomt,
terwijl de nabestaanden dat niet hebben.
Overigens is er een wet in voorbereiding die de nabestaanden de
mogelijkheid geeft om een vast bedrag aan smartengeld vergoed te
krijgen. In enkele van de ons omliggende landen is dat reeds het
geval. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat Nederland
deze landen niet wilde volgen hierin.Een
hieraan sterk gerelateerd is de zogenaamde shock/schrikschade.
Shockschade is een 'eigen' vorm van letsel die wordt geacht van
binnenuit te komen. Dat zelfde geldt voor bijvoorbeeld een Post
Traumatisch Stress Stoornis (PTSS). Op basis van deze letsels
bestaat een vorderingsrecht jegens de veroorzakende partij.
Net als bij lichamelijk letsel dient het
bestaan van en ook de ernst met behulp van deskundigen rapporten
(medici, psychologen, psychiater of psychotherapeuten) te worden
aangetoond.
In de gewezen strikte gerechtelijke uitspraken gaat men er
verder van uit dat hier slechts sprake van kan zijn in het geval
de gedupeerde het ongeval heeft zien gebeuren dan wel kort
daarna arriveerden en met de gevolgen werden geconfronteerd.
Aldus de Hoge Raad zou zich dat met name voordoen indien er een
familieband zal bestaan.
Hoeveel
?
De bepaling van de hoogte van het
smartengeld gebeurt aan de hand van 'vergelijkbare letsels' en
situaties. Hierbij spelen factoren als de leeftijd, de
beperkingen, het aantal operaties, de hobby's, arbeids(on)geschiktheid
voor (het eigen) beroep, toekomstige consequenties een rol.
Omdat de
smartengeldvergoeding voor een aanzienlijk gedeelte wordt
bepaald door de ondersteunende medische stukken en
onderhandelingvaardigheden, is het raadzaam u hierin altijd te
laten bijstaan.
Omdat smartengeld een schadepost is dient u als eisende partij
de aard en de ernst van de klachten aan te tonen. Hierbij spelen
'objectieve' en 'subjectieve' factoren een rol. Door medische
inlichtingen bij arts/specialisten in te winnen kan het letsel
worden vastgelegd. Het is daarom dan ook belangrijk dat u bij
klachten dit meldt aan de huisarts en daar waar nodig onder
behandeling wordt gesteld. Dit geldt zowel voor lichamelijk als
psychisch letsel!
Uw persoonlijke factoren, de wijze waarop u de klachten beleefd,
zijn subjectief. Deze belevingsfactoren zijn moeilijk
aantoonbaar. Handvatten kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in
karakterstructuur, cultuurgebonden elementen, persoonlijke
omstandigheden (hobby's/bezigheden) en life-events. Dit maakt de
subjectieve klachten niet tot feit maar heeft een verklarende
werking die de gevoelens aannemelijk (kan) maken.
Wanneer ontstaat recht op smartengeld?
In
artikel 6:106
van het Burgerlijk Wetboek is een onderverdeling gemaakt
in vijf categoriën:
*In gevallen waarin een ander het
oogmerk heeft gehad om nadeel toe te brengen;
*Bij lichamelijk en geestelijk letsel;
*Bij het schenden van de eer of de goede naam;
*Bij de aantasting in de persoon;
*Bij een aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Geestelijk letsel
Vaak gaat lichamelijk letsel gepaard met geestelijk letsel,
psychisch letsel. Er bestaat ook recht op smartengeld in geval
van geestelijk letsel als niet tegelijkertijd ook sprake is van
lichamelijk letsel.
Voorbeelden uit de praktijk zijn een uit de hand gelopen
zakelijk geschil, hinder door de kraaiende hanen van de buurman
of de confrontatie met een schokkende gebeurtenis (Hoge Raad 22
februari 2002, NJ 2002, 240, Kindertaxi). Wel wordt in (dat
geval) een ondergrens aangehouden.
Een meer of minder sterk psychisch onbehagen is niet genoeg. In
het algemeen is voldoende als bij degene, om wie het gaat, een
in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Ook wordt
als regel vereist, dat de betrokkene deskundige medische hulp
heeft gezocht (HR 9 mei 2003, RvdW 2003, 92 en HR 9 juli 2004,
NJ 2005, 391).
Artikel
6:106 BW
|
1. |
Voor nadeel
dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde
recht op een naar billijkheid vast te stellen
schadevergoeding:
| a. |
indien
de aansprakelijke persoon het oogmerk had
zodanig nadeel toe te brengen;
|
| b. |
indien
de benadeelde lichamelijk letsel heeft
opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad
of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
|
| c. |
indien
het nadeel gelegen is in aantasting van de
nagedachtenis van een overledene en toegebracht
is aan de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot, de geregistreerde partner of een
bloedverwant tot in de tweede graad van de
overledene, mits de aantasting plaatsvond op een
wijze die de overledene, ware hij nog in leven
geweest, recht zou hebben gegeven op
schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer
of goede naam.
|
|
|
2. |
Het recht op
een vergoeding, als in het vorige lid bedoeld, is niet
vatbaar voor overgang en beslag, tenzij het bij
overeenkomst is vastgelegd of ter zake een vordering in
rechte is ingesteld. Voor overgang onder algemene titel
is voldoende dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft
medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.
|