Whiplash Informatiecentrum Europa
het aanspreekpunt voor uw whiplash- en letselschade vragen

over wetenschappelijke bewijzen denk ik vaak dit: De zwaartekracht bestaat al zolang de aarde bestaat. Toch is deze theorie pas in 1678 ontwikkeld door Newton. Dat betekent toch niet dat het zwaartekracht verschijnsel niet eerder bestond!! De wetenschappelijke methode is een mooie methode maar schiet voor een heleboel (whiplash) verschijnselen te kort.

<<< home
thomas en joyce intro pijn
intro 2
intro 3
intro 4intro 5
   
   
   
   
 
 

recht op informatie recht om niet te weten therapeutische exceptie
tip toestemmingsvereiste intrekken van toestemming
recht op vrije keuze van
hulpverlener
recht op behandeling dossierplicht
recht op aanvulling,
correctie en afscherming
recht op inzag en afschrift vernietigingsrecht
gevaarlijke medische termen pijn in hoofd en nek
de pijnladder van de WHO Neuropathische pijn  
     
     





1 <<< home
RECHT OP INFORMATIE
u heeft het recht om te weten wat er met u aan de hand is en wat daar eventueel aan te doen is.

Dat betekent dat een hulpverlener u in begrijpelijke taal moet informeren over:

Uw ziekte of aandoening. Waar denkt de hulpverlener aan? Is er onderzoek nodig om meer te weten te komen over uw ziekte?

De voor te stellen behandeling. De gevolgen en risico's van die behandeling.
De bijwerkingen van medicijnen. Andere behandelingsmogelijkheden die in aanmerking komen.
De voor- en nadelen van de verschillende behandelingsmogelijkheden. De prognose. Hoe lang gaat het duren en is er kans op genezing?
Leefregels. Moet u bedrust houden of een dieet volgen? Wat kan er gebeuren als u zich niet laat behandelen?

2

<<< home


RECHT OM NIET TE WETEN
Als u uitdrukkelijk aangeeft dat u bepaalde informatie niet wilt hebben, moet de hulpverlener dit respecteren.


Maar als dit ernstig nadeel voor uzelf of anderen oplevert, bijvoorbeeld een aanzienlijk, risico van overdracht van een besmettelijke ziekte of de invloed van bepaalde medicijnen op de rijvaardigheid, dan moet de hulpverlener u wel informeren.


3

<<< home


THERAPEUTISCHE EXCEPTIE
Als de hulpverlener denkt dat bepaalde informatie ernstig nadeel voor u oplevert, bijvoorbeeld de kans op een suïcide, dan mag hij die informatie tijdelijk achterhouden.

Dat mag hij alleen in uitzonderlijke gevallen doen en pas na overleg met een collega. Zodra u de informatie wel aankunt, moet de hulpverlener u die alsnog geven.
 

4

<<< home

Het is niet zo raar als u niet direct begrijpt wat uw hulpverlener bedoeld als hij uitleg geeft over uw ziekte,

Immers de medische wetenschap bevat vele moeilijke termen. Daarom is het van belang dat u nogmaals om uitleg vraagt, net zo lang tot u helemaal begrijpt wat er aan de hand is. Ook als u weer thuis bent en er nogmaals over nadenkt, kunt u altijd opbellen of opnieuw een afspraak maken. Het kan handig zijn om vooraf een briefje te maken met uw vragen, zodat u zich zekerder voelt bij het gesprek. Een vertrouwd iemand meenemen kan ook zinvol zijn, immers twee horen meer dan een.
 

Vraag zo nodig schriftelijke informatie, die u in alle rust nog eens kunt doorlezen. Als u weet hoe de vork in de steel zit, kunt u meebeslissen over de behandelings-mogelijkheden, weet u over de gevolgen en hoe lang het gaat duren.

5

<<< home

TOESTEMMINGSVEREISTE
Medische onderzoeken of behandelingen mogen pas van start gaan als u daar toestemming voor geeft.

U beslist dus altijd zelf of u behandeld wordt, op welke manier en door wie. U hoeft niet per se schriftelijk toestemming te geven. Het kan ook mondeling.
 
Wanneer u toestemming geeft voor een medische behandeling, wil dat niet zeggen dat u toestemming geeft voor alle handelingen. In beginsel is telkens voor iedere handeling uw uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende toestemming nodig.
 

In de praktijk is het niet mogelijk dat de hulpverlener voor iedere (be-)handeling toestemming vraagt. Vandaar dat toestemming soms verondersteld wordt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van een noodsituatie, of van een bewusteloze patiënt. Ook bij routinehandelingen zal meestal de toestemming worden verondersteld. Soms kan uit het gedrag van de patiënt de toestemming worden afgeleid. Wanneer u uw arm uitsteekt, zal de verpleegkundige ervan uitgaan dat er geprikt mag worden.


6

<<< home


IINTREKKEN VAN TOESTEMMING
U kunt ten allen tijde uw verleende toestemming intrekken.

U kunt bijvoorbeeld van mening zijn dat een bepaalde behandeling niet meer in verhouding staat tot de pijn of de last die dit veroorzaakt. De hulpverlener dient een dergelijke beslissing te respecteren. Uw toestemming is immers in principe altijd een voorwaarde voor behandeling, de hulpverlener heeft geen behandelingsrecht.

Als u aan de hulpverlener meedeelt uw toestemming in te trekken, is het van belang eventuele alternatieven bespreken en dat de hulpverlener u wijst op de mogelijke consequenties van dit besluit. Als u helemaal niet meer behandeld wilt worden, kan de hulpverlener de behandelrelatie beëindigen. Hij kan dan immers niets meer voor u betekenen.

Het toestemmingsvereiste houdt in dat u slechts toestemming tot behandeling hoeft te geven aan een hulpverlener die u vertrouwt en/of u zelf hebt uitgekozen. Dit is het recht op vrije keuze van hulpverlener.
7 <<< home

RECHT OP VRIJE KEUZE VAN HULPVERLENER
Het recht op vrije keuze van hulpverlener vloeit voort uit het toestemmingsvereiste.

Dat wil zeggen dat u slechts toestemming tot behandeling hoeft te geven aan een hulpverlener die u zelf gekozen heeft. Het is daarbij van belang dat u vertrouwen heeft in uw hulpverlener. Wanneer het vertrouwen geschonden is, kunt u ervoor kiezen de behandeling door de betreffende hulpverlener te staken en u door een andere hulpverlener verder te laten behandelen.

In de praktijk blijkt het niet altijd mogelijk te veranderen van hulpverlener. Zo kan het voorkomen dat de praktijk van de door u gekozen hulpverlener vol is. Verder is het niet uitgesloten dat in een bepaald gebied voor de benodigde behandeling maar één hulpverlener beschikbaar is. Tot slot hanteren hulpverleners gedragsregels die bepalen dat slechts onder voorwaarden patiënten van elkaar worden overgenomen.

8

<<< home

RECHT OP BEHANDELING
Het recht op behandeling houdt in dat u zich deskundig moet kunnen laten helpen.


Dit lijkt op het eerste gezicht vanzelfsprekend. Maar in de praktijk krijgt u wellicht te maken met wachtlijsten in zorginstellingen en geldgebrek bij de zorgverzekeraar of het ziekenhuis.

Hulpverleners hebben de plicht om goede zorg te verlenen. Maar u kunt een arts of hulpverlener bijvoorbeeld niet dwingen om u te behandelen, als die behandeling volgens hem weinig zin heeft.

9

<<< home



DOSSIERPLICHT

Sinds jaar en dag hebben hulpverleners de gewoonte om met betrekking tot patiënten die zij onderzoeken en/of behandelen een dossier aan te leggen.
 

In dat dossier wordt aantekening gehouden van de relevante gegevens ten aanzien uw gezondheidstoestand. Een dossier kan qua vorm variëren van een handgeschreven patiëntenkaart tot een elektronisch patiëntendossier (EPD). Het bijhouden van een dossier is van belang voor de kwaliteit en continuïteit van de zorg.

10

<<< home

RECHT OP INZAGE EN AFSCHRIFT
U heeft recht op inzage in uw dossier.


Op deze hoofdregel bestaat één uitzondering: geen inzage in (een deel) van het dossier wordt verleend als dat in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander noodzakelijk is. Daarbij geldt dat het belang bescherming van de privacy van de ander zwaarder moet wegen dan het belang dat u heeft op inzage in uw dossier.

11

<<< home

RECHT OP AANVULLING, CORRECTIE EN AFSCHERMING
U kunt hiermee bereiken dat een volledig of juist beeld van uw persoon of uw gezondheidstoestand in het dossier wordt geschetst. Het gaat dan om een afwijkende of aanvullende zienswijze van uzelf of van een andere hulpverlener. De hulpverlener mag de inhoud van die verklaring of de redelijkheid van het verzoek niet beoordelen. Opname van zo'n aanvulling kan dus niet worden geweigerd. Met andere woorden de hulpverlener is verplicht de verklaring in het dossier op te nemen, ook als hij het met de inhoud van de verklaring niet eens is.

U kunt de hulpverlener verzoeken feitelijke onjuistheden te corrigeren. Met feitelijke onjuistheden worden bijvoorbeeld bedoeld een foute vermelding van adresgegevens of onjuiste gegevens over onderzoeken en behandelingen in het verleden.

Ook kunt u de hulpverlener verzoeken bepaalde gegevens, die feitelijk onjuist zijn of niet ter zake doen, af te schermen. Door deze gegevens af schermen kunt bereiken dat waarnemers, opvolgers of andere hulpverleners, die inzage in het dossier hebben, de informatie niet te zien krijgen.

De hulpverlener moet binnen vier weken na het indienen van het verzoek tot correctie of afscherming gemotiveerd aangeven of en in hoeverre hij aan het verzoek voldoet. Honoreert hij het verzoek, dan moet hij de correctie zo spoedig mogelijk in het dossier aanbrengen.

12

<<< home

VERNIETIGINGSRECHT
U heeft het recht een deel van uw dossier te laten vernietigen.

Ook heeft u het recht om het gehele dossier te laten vernietigen. Bijvoorbeeld omdat u de gegevens te vertrouwelijk of te belastend vindt. Een andere reden kan zijn dat u niet wilt dat een aandoening uit het verleden u blijft achtervolgen, doordat die nog steeds in uw dossier staat vermeld. De hulpverlener moet binnen drie maanden aan uw verzoek voldoen.

De hulpverlener kan vernietiging weigeren. Hierbij kunt u denken aan informatie die zo belangrijk is voor de behandeling dat door vernietiging daarvan de hulpverlener u niet goed meer kan behandelen.

13

<<< home



MEDISCHE VAKTERMEN
In rapportages van verzekeringsartsen over whiplash staan vaak medische vaktermen. Wie niet weet wat die termen betekenen kan ze opzoeken in een medisch zakwoordenboek, of er overheen lezen in de hoop dat vanzelf duidelijk wordt wat er is bedoeld.

Maar pas op: sommige vaktermen wijzen erop dat de verzekeringsarts je klachten niet serieus neemt en je een aansteller vindt.
Als deze medische termen in een rapportage over je staan, betekent dat meestal dat je niet arbeidsongeschikt wordt bevonden in de zin van de wet, en dat je geen uitkering zult krijgen. Het is dus belangrijk om op zulke gevaarlijke vaktermen te letten, en te weten wat ze betekenen. Zodra je een ervan hoort of leest moet een alarmbel gaan rinkelen. Het is dan de hoogste tijd om met tegenargumenten te komen en te proberen de verzekeringsarts op andere gedachten te brengen. Dat kan je doen door medische informatie van je huisarts of specialist aan te leveren, te vertellen hoe je dagelijks leven eruitziet, of door je bedrijfsarts te vragen in actie te komen. Maar als het goed is heeft je belangenbehartiger al aan de bel getrokken, zo niet dan zou een second opinie wel eens zinvol kunnen zijn. Het geef geen positief beeld van de 'ter zake kundige'.


Discrepantie Discrepantie wil zeggen: verschil. Als verzekeringsartsen schrijven dat er bij iemand sprake is van discrepantie tussen ervaren klachten en medische bevindingen betekent dat, dat ze geen lichamelijke oorzaak voor bepaalde klachten kunnen vinden. Vaak kijken ze niet verder en vragen zich dus niet af hóé het komt dat iemand zulke klachten heeft. Ze nemen stilzwijgend aan dat de oorzaak van de klachten niet medisch is en dus niet meetelt bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.
Somatisering Met somatisering of somatisatie wordt bedoeld dat iemand de neiging heeft bepaalde symptomen ten onrechte aan een lichamelijke aandoening toe te schrijven en daarvoor medische hulp te zoeken. Iemand die somatiseert heeft dus klachten waarvoor op het eerste gezicht geen aanwijsbare oorzaak bestaat en loopt daarvoor bij artsen de deur plat. Artsen hebben daar een hekel aan. Ze zullen al gauw zeggen dat iemand klaagt over klachten die er niet zijn. Daarbij vergeten ze vaak dat het natuurlijk ook mogelijk is dat er wel een lichamelijke oorzaak is maar dat de medische stand nog niet zo ver is dat ze die kan vinden. Dat zou op zich geen probleem moeten zijn, omdat het bij een WAO-beoordeling tot nu toe in de eerste plaats moet gaan om de gevolgen van ziekte, en niet om de oorzaak. Maar in de praktijk worden die gevolgen helaas, ook door de rechter, vaak als 'niet bewezen' beschouwd wanneer er geen duidelijke oorzaak is aangetoond.
Karakter- of persoonlijk heidsstructuur Een verzekeringsarts die gelooft dat er geen medische oorzaken zijn voor iemands klachten, neemt soms aan dat die klachten voortkomen uit iemands karakterstructuur of persoonlijkheidsstructuur. Deze arts denkt dan dat je door je karakter of persoonlijkheid je werk bijvoorbeeld niet aan kunt, en dat je daardoor - en niet door een medische oorzaak - klachten krijgt. Dus zou je in juridische zin niet arbeidsongeschikt zijn. Ook hier lijkt het erop dat verzekerings-artsen, door de druk om zoveel mogelijk mensen uit de WAO te weren, bewust zoeken naar argumenten om geen arbeids-ongeschiktheid te hoeven vast-stellen, in plaats van op een neutrale en zorgvuldige wijze medisch onderzoek te doen.
Neurastheen syndroom Nog zo'n gevaarlijke term is neurastheen syndroom. Dit is een toestand die veel lijkt op 'overspannen zijn'. Op zichzelf kan overspannenheid heel goed reden zijn om arbeidsongeschiktheid op medisch aantoonbare gronden vast te stellen. Verzekeringsartsen gebruiken de term neurastheen syndroom echter in toenemende mate voor 'een zenuwachtige karakter- of persoonlijkheid-structuur', die niet leidt tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de wet. Pas dus op als je deze term tegenkomt in een rapportage. Er is dan een verzekeringsarts aan het werk die niet verder kijkt en die denkt aan deze term genoeg te hebben om je uitkeringsaanvraag af te wijzen.

14

<<< home


Pijn in hoofd en nek

De tekening toont triggerpoints in een kaakspier (masseter) die pijn kunnen veroorzaken in het voorhoofd en de holten, tanden, oren en de kaakgewrichten. Ze kunnen verantwoordelijk zijn voor een drukkend of verstopt gevoel in de sinussen. Deze triggerpoints zijn ook de veroorzakers van die welbekende jeuk diep in het oor:

tekening toont triggerpoints in een kaakspier (masseter)

In de tekening rechts is te zien hoe je de masseter masseert met duim en wijsvinger. De duim zit in de mond.

hoe je de masseter masseert met duim en wijsvinger

15

<<< home


Bij pijnbestrijding volgt men een stapsgewijze aanpak, gebaseerd op de pijnladder van de WHO
  • stap 1a: paracetamol;
  • stap 1b: NSAID;
  • stap 1c: paracetamol + NSAID;
  • stap 2: overstappen op of toevoegen van een zwakwerkend opioïde;
  • stap 3: overstappen op of toevoegen van een sterk werkend opioïde;
  • stap 4: parenterale toediening van een opioïde.

Pijnbestrijding is gericht op het verminderen of laten verdwijnen van de pijn. Om de pijn adequaat te bestrijden moet men het juiste middel in voldoende hoge dosering toedienen op vaste tijdstippen met de juiste frequentie (afhankelijk van de werkingsduur). Bij hevige pijn moet het middel bovendien snel werken. Het effect van de behandeling moet regelmatig worden geëvalueerd, zodat dosering en middel tijdig kunnen worden aangepast. Afhankelijk van het soort pijn kan het gebruik van andere medicamenten dan analgetica geïndiceerd zijn (zie onder Neuropathische pijn). In navolging van de NHG-Standaard Lage-rugpijn spreekt deze richtlijn van acute pijn als deze korter duurt dan zes weken, en van chronische pijn als deze langer duurt dan drie maanden.

Benigne chronische pijnklachten kunnen mede voorkomen worden door ze in de acute fase adequaat te behandelen. Om de ernst van de pijn in te schatten gebruikt men steeds vaker een pijnschaal. Men vraagt daarbij de patiënt om enkele malen per dag de pijnklachten weer te geven op een schaal van 0 tot 10 (0 = geen pijn, 10 = voortdurende en ondraaglijke pijn). Geschikte tijdstippen om de pijn te meten zijn 's ochtends vóór de toediening van de onderhoudsmedicatie en op het moment dat de onderhoudsmedicatie optimaal zou moeten werken.

Stap 1a: paracetamol

Bij acute en bij chronische pijn is paracetamol voor patiënten van alle leeftijden eerste keus, omdat dit middel een breed veiligheidsprofiel heeft en omdat er zeer ruime ervaring mee is opgedaan. Dit geldt in het bijzonder voor ouderen die langdurige pijnbehandeling nodig hebben, omdat zij gevoeliger zijn voor bijwerkingen van andere analgetica zoals NSAID's.

  • De normale dosering bij volwassenen is oraal 4-6 dd 500 mg of rectaal 2-3 dd 1000 mg.
  • Bij kortdurend gebruik kan de dosering iets hoger zijn: oraal maximaal 4 dd 1 tablet van 1000 mg of 2 tabletten van 500 mg, of rectaal 3-4 dd 1 zetpil van 1000 mg.
  • Ook bij kinderen mag men bij kortdurend gebruik (2-3 dagen) oraal en rectaal hoger doseren en daarna overgaan op de 'normale' dosering.

Rectale toediening van paracetamol geeft een onvoorspelbaar wisselende, vertraagde absorptie. In de praktijk kan kortdurend een hogere rectale dosering van 30-40 mg/kg lichaamsgewicht nodig zijn om snelle pijnstilling te bereiken.

Aanbevelingen voor paracetamolgebruik

  • Adviseer de patiënt het middel op vaste tijden in te nemen gedurende een van tevoren afgesproken periode. Evalueer - bij blijvende klachten - het effect regelmatig, zodat dosering en middel kunnen worden aangepast.
  • De maximale dagdosering voor volwassenen bij kortdurend gebruik (korter dan 1-2 weken) en bij maligne aandoeningen is 4 g. Deze dagdosering is bij langer durend gebruik 2,5 tot 3 g.
  • De maximale dagdosering voor volwassenen bij aanwezigheid van risicofactoren voor leverschade is lager dan 2,5 g: afhankelijk van het aantal en de aard van de risicofactoren 2 of 1,5 g. Risicofactoren zijn bijvoorbeeld: bestaande leverziekte, nierfunctiestoornis, hoge leeftijd, een genetisch bepaalde lage metabolisatiesnelheid, laag lichaamsgewicht, vasten, slechte voedingstoestand, langdurig meer dan matig alcoholgebruik en gecombineerd gebruik van meerdere pijnstillers.

Stap 1b: NSAID

Geef een NSAID wanneer paracetamol onvoldoende effect heeft of wanneer men tevens een anti-inflammatoir effect wenst. Hoewel de analgetische effecten van de verschillende NSAID's vergelijkbaar zijn, kunnen er per patiënt onvoorspelbare verschillen optreden. Probeer daarom bij onvoldoende respons een ander NSAID. Voordat men van preparaat wisselt moet men zich echter afvragen of het voldoende hoog gedoseerd en lang genoeg toegediend was.
De belangrijkste bijwerkingen liggen op gastro-intestinaal en cardiovasculair gebied.

Op grond van het risicoprofiel van en de ervaring met NSAID's gaat de voorkeur uit naar ibuprofen, diclofenac en naproxen. Bij ouderen en bij kinderen is terughoudendheid geboden bij het voorschrijven van NSAID's. Alleen van ibuprofen zijn toedieningsvormen voor kinderen beschikbaar.

Stap 2: overstappen op of toevoegen van zwakwerkend opioïd

Om het pijnstillende effect enigszins te versterken kan men overwegen codeïne of tramadol toe te voegen, of geheel over te stappen op tramadol. Meestal slaat men stap 2 over als de patiënt heftige pijn heeft, zoals bij kanker, omdat tramadol en codeïne de pijn slechts in geringe mate doen afnemen terwijl de bijwerkingen (die reversibel en niet-levensbedreigend zijn) regelmatig een reden zijn om deze middelen te staken.

Tramadol geeft minder aanleiding tot obstipatie dan codeïne. Vanwege de bijwerkingen (vooral misselijkheid en duizeligheid) moet tramadol insluipend worden gedoseerd. Omdat bovendien de analgetische werking langzaam intreedt, maakt dit tramadol minder geschikt bij acute pijn. De startdosering is 2-4 dd 50 mg, zo nodig elke 3-5 dagen te verhogen met maximaal 50 mg. De onderhoudsdosering is 2 dd 50-200 mg retard (of 1 dd 200-400 mg van een eenmaaldaagse toedieningsvorm; bij een verminderde nierfunctie (< 30 ml/min) maximaal 2 dd 100 mg zonder vertraagde afgifte.

Tramadol kan afhankelijkheid en onthoudingsverschijnselen veroorzaken; langdurig gebruik wordt afgeraden. Dit maakt tramadol dan ook minder geschikt bij chronische pijn. Bij gebruik van meer dan 400 mg per dag of bij combinatie met een SSRI neemt de kans op convulsies toe. De combinatie met een SSRI verhoogt bovendien de kans op het serotonerg syndroom en wordt daarom afgeraden.

Stap 3: overstappen op of toevoegen van een sterkwerkend opioïd

Overweeg een sterk werkend opioïd als de pijn met de vorige stappen onvoldoende vermindert. Het kan zinvol zijn een analgeticum uit stap 1 te handhaven vanwege het synergistisch en opioïdsparend effect.

Gebruikt men opioïden als pijnstiller bij een duidelijk aanwijsbare pijnoorzaak, dan is verslaving in het algemeen geen probleem. Opioïden hebben geen maximale dosering waarboven ze geen additioneel analgetisch effect meer hebben. Als de patiënt goed reageert, kan de dosering geleidelijk worden opgehoogd om het gewenste analgetische effect te bereiken. Gezien het relatief beperkte gebruik van opioïden in de huisartsenpraktijk is het verstandig met één of twee preparaten ervaring op te bouwen.

De voorkeur gaat daarbij uit naar een morfinepreparaat, omdat deze preparaten beschikbaar zijn in verschillende toedieningsvormen (oraal, rectaal en parenteraal) en er ruime ervaring mee is opgedaan. Omdat morfine bij rectale toediening onvolledig en wisselend wordt opgenomen, wordt rectale toediening alleen als tijdelijke oplossing geadviseerd. Bij problemen met orale toediening heeft een fentanylpleister of eventueel parenterale toediening van morfine de voorkeur.

Bij de fentanylpleister, die elke drie dagen vervangen moet worden, begint de pijnstilling 6 tot 12 uur na het aanbrengen en bereikt na 14-24 uur een constant niveau. De depotfunctie van de huid is variabel, want afhankelijk van de dikte van de onderhuidse vetlaag, en kan vooral bij ouderen tot wel 40 uur aanhouden. Vanwege deze variabiliteit en vanwege de lange eliminatiehalfwaardetijd na verwijderen van de pleister is de pijnbestrijding met de fentanylpleister minder goed te sturen. Bij heftig transpireren laat de pleister soms los en kan extra bevestiging met folie nodig zijn. Bij een toename van de huiddoorbloeding, bijvoorbeeld door transpiratie, koorts, een warme douche, zonlicht of fysieke inspanning, wordt de fentanyl versneld opgenomen en is er meer kans op bijwerkingen. Het is niet nodig om bij een gestegen fentanylopname de pleister eerder te verwisselen, omdat elke pleister een reservehoeveelheid fentanyl bevat.

De individuele reactie op opioïden kan per patiënt sterk wisselen. Als de pijnstilling onvoldoende is of de bijwerkingen hinderlijk of onacceptabel zijn, kan het zinvol zijn van morfinepreparaat te wisselen. Deze 'opioïdrotatie' of opioid switching is gebaseerd op de klinische ervaring dat er intra- en interindividuele verschillen zijn in de effecten en bijwerkingen van de verschillende opioïden. De eenvoudigste vorm is overstappen van een langwerkende morfinetablet op een fentanylpleister of omgekeerd. Gedurende de eerste dag na het aanbrengen van de pleister is het noodzakelijk de morfine met vertraagde afgifte in halve dosering erbij te geven.

Bij opioïdrotatie bestaat kans op overdosering. Switch daarom bij rotatie vanwege bijwerkingen naar 50-75% van de voorafgaande equivalente 24-uursdosis van het alternatief; geef bij rotatie vanwege onvoldoende pijnstilling de equivalente dosering van het alternatief.

Het gebruik van partiële opiaatreceptorantagonisten zoals buprenorfine en pentazocine wordt afgeraden, want als men van deze middelen overstapt op een opioïd zoals morfine, zal de pijnstillende werking van het vervangende opioïd enige tijd op zich laten wachten.

Stap 4: parenterale toediening van opioïden

Parenterale toediening (subcutaan, intraveneus, epiduraal of spinaal) is aangewezen als met stap 3 onvoldoende pijnstilling kan worden bereikt, of als van speciale toedieningswegen (bijvoorbeeld epiduraal) een gunstiger effect kan worden verwacht.

Subcutane toediening (eenmalig, intermitterend of continu) van opioïden kan ook in de thuissituatie een zeer geschikte methode van pijnbestrijding zijn. Met continue subcutane infusie van opioïden worden vergelijkbare bloedspiegels bereikt als met intraveneuze toediening. Overleg met een apotheker is hier gewenst. Bij omzetting naar subcutane toediening kan een derde van de orale dagdosis morfine worden aangehouden.
Parenterale toediening anders dan subcutane toediening valt onder de verantwoordelijkheid van de anesthesist en wordt hier niet beschreven.

16

<<< home

Neuropathische pijn

Neuropathische pijn ontstaat door beschadiging en disfunctie van het centrale of het perifere zenuwstelsel. De pijn treedt op zonder dat nocireceptoren door trauma of ziekte worden geprikkeld. Voorbeelden van perifere neuropathische pijn zijn diabetische (poly)neuropathie, postherpetische neuralgie, trigeminusneuralgie en polyneuropathie. Kenmerkend is dat er geen duidelijke relatie is tussen de plaats van de pijn en de plaats van de schadelijke prikkel, en tussen de ernst van de zenuwschade en de ernst van de pijngewaarwording.

Neuropathische pijn komt regelmatig voor. Vaak gaat het om een combinatie van nociceptieve en neuropathische pijnklachten. De pijn is meestal chronisch en reageert vaak niet of nauwelijks op normale analgetica. Andere kenmerken zijn, in wisselende mate: constante schrijnende, brandende pijn die af en toe schietend of stekend is; vaak sensorische stoornissen in het aangedane gebied; soms cutane allodynie (pijnsensaties bij normale aanraking) in het aangedane huidgebied; autonome instabiliteit in het huidgebied dat door de aangedane zenuw wordt verzorgd.

Farmacotherapeutische behandelingsmogelijkheden

Antidepressiva (onder andere amitriptyline, nortriptyline, SSRI's, duloxetine). Anti-epileptica (onder andere carbamazepine, fenytoïne, gabapentine, pregabaline). Overige middelen (onder andere opioïden, capsicumcrème) Beleid Antidepressiva, anti-epileptica en opioïden zijn werkzaam gebleken bij neuropathische pijn, al zijn er grote interindividuele verschillen. Het karakter van de neuropathische pijn is geen leidraad voor de keuze van het middel. Voor trigeminusneuralgie geldt een enigszins andere aanpak dan bij andere vormen van neuropathische pijn. Voorschrijvers moeten zich ervan bewust zijn dat veel van de in de praktijk gebruikte middelen officieel niet geregistreerd zijn voor de indicatie neuropathische pijn. Carbamazepine is in Nederland geregistreerd voor trigeminusneuralgie, pregabaline en gabapentine zijn geregistreerd voor perifere neuropathische pijn en duloxetine voor diabetische perifere neuropathie. De tricyclische antidepressiva (vooral amitriptyline) zijn het meest onderzocht bij diverse vormen van neuropathische pijn, tonen een goede effectiviteit en hebben daarom de voorkeur.

Bij ouderen heeft nortriptyline de voorkeur omdat het minder centrale anticholinerge bijwerkingen heeft die het cognitief functioneren kunnen beïnvloeden. Zie tabel 5 voor doseringsadviezen. De werkzaamheid van pregabaline en gabapentine is vooral onderzocht bij diabetische polyneuropathie en postherpetische neuralgie die van duloxetine bij diabetische polyneuropathie. Voorlopig wordt het gebruik van deze nieuwe middelen in de eerste lijn afgeraden, omdat goed opgezet direct vergelijkend onderzoek met de tot nu toe gebruikelijke geneesmiddelen ontbreekt.

De plaats van capsaïcinecrème (0,025-0,075% in lanettecrème FNA, 4 dd op de pijnlijke plekken) bij neuropathische pijn is zeer beperkt, omdat er relatief weinig onderzoek mee gedaan is en bijwerkingen zoals branderige en rode huid zeer regelmatig optreden. Bij patiënten met matige tot ernstige chronische pijnklachten die onvoldoende reageren op orale behandeling zou men een proefbehandeling kunnen overwegen met capsaïcinecrème als adjuvans.

17

<<< home

intro advocaten
  >>> juridische informatie
>>> smartengeld
>>> praktische tips
>>> Europese justitiële atlas voor burgerlijke zaken
intro medicatie
>>> medicijn informatie
<<<home
>>> behandel mogelijkheden
intro whiplash informatie
>>> whiplash informatie
>>> whiplash in België
>>> whiplash en zwangerschap
>>> problemen bij whiplash 
intro uvw
>>> WAO-WIA informatie
intro symptomenlijst
>>> symptomenlijst in PDF
intro wat doet een
>>> wat doet een....
>>> wat is een....
intro schade buitenland
>>> schade in het buitenland
whiplash en studie
>>> whiplash en studie
schandpaal
>>> de schandpaal
intro whiplash en media
>>> whiplash in de  media
intro downloads pdf
>>> downloads in PDF
intro hobby
>>>whiplash en hobby
no cure no pay
>>> no cure no pay = NO
intro linken
>>> linken
intro samenwerken
>>> samenwerken met...
intro hyves
>>> hyves vriendenpagina